Vrijheidsdividend: delen in onze gezamenlijke welvaart.

Door Norbert Klein

Vrijheid betekent als los woord niets. Het krijgt pas betekenis als duidelijk is hoe machten mensen ruimte geven, vrijheid geven. Vrijheid is altijd afhankelijk van anderen die macht over je hebben. Dat kan je werkgever zijn maar ook de coach van een sportteam. Dat kan de leraar zijn, maar ook ouders over hun kinderen. Allen geven je de vrijheid om iets te doen of te laten.

Ook de staat kan macht over je uitoefenen. De machthebber is dan de regering samen met het parlement. De mate van individuele vrijheid wordt door hen bepaald. De vrijheid om altijd en overal te gaan en staan waar je wilt, de vrijheid om je mening te geven, het inperken van grondrechten. Vrijheid is dus gekoppeld aan afhankelijkheid.

“De vrijheid om vrij te zijn”: zegt de filosoof Hannah Arendt, wordt bepaald door het vrij zijn van armoede en vrij van angst. Vrij van armoede zijn kan door een onvoorwaardelijk inkomen. Dit onvoorwaardelijke inkomen geeft dus vrijheid om vrij te kunnen zijn.  Helaas geeft de aanduiding “basisinkomen” geeft verwarring, want wat is “basis”? Als criterium wordt door de Vereniging Basisinkomen “hoog genoeg om van te leven” gehanteerd. Maar wat dat dan is, daar denkt iedereen op goede gronden weer anders over. En vervolgens gaat de discussie alleen over de hoogte, een zinloze discussie over het middel en niet over het doel: mensen uitzicht geven, mensen ruimte geven, mensen vrijheid geven. De Amerikaanse Democraat Andrew Yang introduceerde het begrip Freedom Dividend. Dat is een ‘spijker op de kop geslagen’-begrip: vrijheidsdividend als onvoorwaardelijk inkomen voor iedereen.

De overheid kan mensen vrijheid van armoede geven. Vrijheid van armoede betekent tevens vrijheid om te kunnen ontplooien. De overheid wordt gelegitimeerd door ons allemaal samen. In een democratische rechtsstaat gaat het niet om de autoritaire macht van een elite, maar om alle mensen in de samenleving die samen leven en gezamenlijk macht overdragen aan het collectief van de overheid. De opbrengst van de samenleving wordt verkregen door de belastingheffingen van de overheid. Daarmee worden dan uitgaven gedaan om collectieve voorzieningen en collectieve doelen te realiseren. Van wegen tot ziekenhuizen, van veiligheid tot cultuur. De opbrengst van de samenleving wordt met elkaar gedeeld. Om vrijheid van armoede bij mensen te kunnen realiseren, zou ook het delen van die gezamenlijke opbrengst voor een onvoorwaardelijk inkomen een van de uitgaven moeten worden. Belastingopbrengsten als winstbelastingen, BTW en belasting op vermogens en een betaaltax over financiële transacties vormen feitelijk de winst van de samenleving betaald door de samenleving. Een winstuitkering is een dividend. Juist om de directe band tussen het geld dat wij voor de overheid op hoesten en dat vervolgens aan ons toekomt, zal de overheid aan iedereen een dividenduitbetaling krijgt. De hoogte is afhankelijk van de winst die we als samenleving als Nederland maken. Concreet betekent dat op basis van de opbrengsten 2019 € 1000 per maand voor iedere Nederlander. Iedere dividenduitbetaling is per definitie onvoorwaardelijk. Het wordt uitbetaald door een onderneming of overheid. Iedereen mag daarna zelf weten wat hij met dat geld wilt doen, dus zonder voorwaarden. Een dividenduitbetaling geeft de vrijheid aan mensen voor besteding naar eigen inzicht. Vrije mensen zijn ook verantwoordelijke mensen. Politieke voorwaarde is dan dat partijen vertrouwen in mensen hebt. Dat partijen een positief mensbeeld hebben waarin mensen verantwoord om zullen gaan met het geld van de dividenduitbetaling. Laten die politieke partijen die zich daarop aangesproken voelen, dan ook het vrijheidsdividend omarmen. Dat geeft kiezers in maart 2021 een echte keuze voor vrijheid.

ook gepubliceerd op JOOP

FacebooktwitterFacebooktwitter